Categoriearchief: Recensies

De blik van een wolf

Afgelopen donderdag trad Larry Coryell op bij Friday Night Jazz in Muzee. Hij is een gitaarlegende en er was een aantal gitaristen op afgekomen. Dat is het leuke aan Friday Night Jazz, er zitten altijd muzikanten in het publiek.

Larry was uitgenodigd door Martien Oster, “the best guitarplayer in Europe”, volgens Larry. Ze maken samen een kleine toer door Nederland en Duitsland. Hans Braber, onze vaste drummer toert met ze mee.

Ik zat op de houten bank aan de zijkant van het podium en keek uit op de rug van Larry. Hierdoor kon ik goed zien hoe Martien en Steve Zwanink, de bassist naar hem keken.

Hoe omschrijf je die blikken? Het zijn de blikken van wolven op jacht, Larry is de Alpha Wolf, the leader of the pack… Steve en Martien hebben als taak de prooi te omsingelen… Hun blik zegt: “Waar stuur je ons heen… ik hier… jij daar… Yes! We begrijpen elkaar!”

En dan hoor je Larry: “Yeah” roepen.. Het was duidelijk dat hij heel blij was met Steve. Hij gaf Steve de ruimte. “Come on!”. Steve liet zich niet gek maken. Hij speelt een baslijn en hij blijft die baslijn spelen.

En Hans Braber drumde lekker weg. Als de bas stevig is, kan de drummer zich vrij voelen. Meestal kijkt Hans ernstig, maar deze keer niet. Hans voelde dat hij in goede handen was.

Bij alle concerten van Friday Night Jazz voel je dat er iets gebeurt op het podium. Dat hoort ook bij live muziek.

Maar deze keer was het wel heel bijzonder. Steve Zwanink is een rising star en Larry Coryell heeft dat scherp gezien. Dat was denk ik het meest opvallende bij dit concert. Die oude “lone wolf” Coryell ziet wat in Steve Zwanink.

Na afloop van het concert heeft de 13-jarige Olivier Niekerk nog een half uur privé les van Larry Coryell gekregen in de kleedkamer.  Zulke dingen gebeuren bij Friday Night Jazz in Muzee!

 

Dat de Jazz niet meteen populair was…

(Uit: hoe Den Haag de jazz leerde kennen,1919-1926, van Maarten van Doorn, jaarboek Die Haghe 1997)

Dat de Jazz niet meteen populair was, blijkt uit het verslag in het Vaderland van 9 augustus 1919 van de journalist Hans Martin, die in schrille kleuren schildert wat hij had meegemaakt in een jazzclub op Leicester Square in Londen:

‘waar-naarmate ge afdaalt- de kletterende ratelmuziek al harder, al onstuimiger op u toe komt daveren’.

Na een beschrijving van het aanwezige publiek en de ruimte (‘een lage kelder met Turksche en Oostersche lampen, bonte lampions, en een paar verwelkte guirlanders, – alles verdoezeld, vervaagd in de rook van Engelsche cigaretten,- bedwelmende weeë, duizeligmakende opiumlucht’) geeft hij verslag van een optreden van muzikanten, dat te mooi en te informatief is om hier niet te laten volgen.

‘Daar, opeens, een paar accoorden, -er komt beweging in de pratende jongelui op het podium-, de Jazz, the latest craze of London, gaat beginnen. En ineens krijg je de zuivere visie van in een dolhuis te zijn. Een piano, een mandoline, een hobo, een trommel. De man achter de trommels is de hoofdpersoon, hij leidt het orkest, geeft maat, melodie en frasering aan, Hij heeft niet alleen trommels, klappers, bekkens, rinkelende glazen scherven, schel klinkende metalen platen – hij heeft… o het is verschrikkelijk wat de man allemaal heeft om lawaai,  veel lawaai, geweldig veel lawaai mee te maken. De muziek begint. Is het muziek? Neen- het is een opwindend, krankzinnig makend geluid, dat langzaam in je vreet en je tot den rand van waanzin brengt. De piano en de mandoline geven de wijs aan, een van die wijsjes, die voor grappige ledepoppen gemaakt schijnt, met houten, sterk rytmisch afgekapte bewegingen,- van die wijsjes waar je onwillekeurig met je voeten gaat zitten klepperen op de maat. De hobo, -met een geluid als een lallende, schreeuwende dronken man, met zware basstem-, de hobo, melancholiek, triest, jammerlijk, ondersteunt de grondtoon van de wijs, houdt deze te lang aan, onderstreept ze te dik; het is of een beschonkene, onmachtig om zijn mond te houden, poogt mee te zingen met de vlugge, razende, houterig rytmische muziek van piano en mandoline. Het geeft aan de wijs iets wanstaltigs iets absurds, iets dat heel erg naar waanzin helt.

En daartusschen ratelt en rammelt, klettert en jankt en dreunt en ploft en gilt het geluid van trommen en scherven stukken hout en metalen platen.-Het felle geluid flitst opeens onverwacht door de muziek als een vlakbij inslaande bliksem, het roffelt en dreunt, lang aangehouden als een rommelende donder, als een zware wagen over een houten brug-, het trilt en siddert als het plotselinge uiteenspatten van glaswerk, alsof opeens keien door de kelderramen worden geworpen. Het is schrikwekkend, het is op de rand van dolheid en amok loopen-, het is als derwisj muziek.(www.draaiendederwisj.nl) Die geluiden, rytmisch doorgezet, steeds met denzelfden vluggen maat volgehouden, met het lallende dronkenmansgehuil van de hobo, de ophitsende snarentokkeling der mandoline, -de kletterende dreunende ontploffing van geluiden uit trommen, scherven, metalen platen, -die verwarring van lawaai. dat tenslotte nog een melodie behoudt,- een melodie, die door stage herhalingen een obsessie wordt,- die cacophonie, die toch melodisch blijft, werkt ontzenuwend, werkt als derwisj muziek, brengt het gehele lichaam in een verdoofde beweging, die dansen wil en ook dansen wordt… Opeens huilt de hobo een lang aangehouden klaagtoon, rinkelt en davert het, klinkt dubbelslag van hout op hout,-

En het is uit, – De muziek zwijgt, – de dansende paren ontwarren zich, vrouwen loopen naar spiegels, schikken hun kapsel, -mannen betten zich het parelende voorhoofd’.

Hoe men in Den Haag en Scheveningen reageerde op dit artikel is natuurlijk niet bekend. Er zullen mensen zijn geweest die een waarschuwende vinger hebben opgestoken tegen deze verwording van de maatschappij; anderen zullen hebben gesmuld van deze berichtgeving en hoopten vurig dat er in Den Haag zulke gelegenheden zich snel zouden voordoen.

En die kwamen al snel.

Na de Eerste Wereld Oorlog, eind augustus 1919,  duikt voor het eerst het woordje JAZZ op in advertenties in de kranten in Den Haag als impresario Max van Gelder het Cabaret Artistique in Scheveningen presenteert:

Iedere avond onder anderen Ninette en Jean Austral, ‘The famous Australian Dancers en Dances from their repertoire The latest craze of London and New York “THE JAZZ”

In hetzelfde programma vertolkte Willy Allen “Ragtime Songs”.

De nieuwste dansen werden in de dansscholen aangeprezen, o.a. door het beroemde Dans-Instituut van Weyne & Sternfeld aan de Koningin Emmakade. Deze hadden ‘de eer te berichten, dat zij vanaf 16 augustus 1919 privaatles geven in The Jazz, Jazz-Waltz en Hesitation zooals deze worden gedanst in de Londensche Society’.

De dansschool van Mies Heijstee aan de Bazarstraat 20 onderwees ‘Moderne society dansen volgens het laatste congres van de Imperial Society of Dance Teachers te Londen’. Het waren de ‘Jazz, Rocker, Peace Walk, Jazz Walz etc.’

Voor zover bekend schijnt de eerste jazzband van ons land te zijn geweest James Meijer’s Jazzband onder leiding van de jazzpianist Leo de la Fuente. De band (piano, banjo, viool, fagot en drums) werd genoemd naar de hier genoemde James Meijer, die onder meer de bladmuziek verzorgde. In ieder geval trad in de lente van 1920 in Hotel Central in Den Haag een heuse, Engelse jazzband op, The Mayfair Jazzband onder leiding van Lewis Jones, een man die voordien een engagement had in Londen bij de  “Trocadero” en de “Bryce Club”, hetgeen zijn faam moest staven. Vanaf 7 maart speelde hij ’s-middags van 3 tot 5 en ’s-avonds van 8 tot 12. In april speelde Lewis Jones on onder de naam Yasz-band The Syncopated Five in het paviljoen van het Wilhelmina Wandelhoofd op Scheveningen.

Een van de Haagse jazzpioniers, Coen Gonsalves van The Queens Melodists, herinnerde zich jaren later dat hun muziek weldegelijk aansloeg, ‘al was het maar keteltjesmuziek of gepluk van een banjo, er was een nieuwe klank, een nieuwe kleur, ook het ritme was beter en paste meer bij de moderne dans.’

Pas in de zomer van 1921 kreeg Jazz in Den Haag/Scheveningen een Nederlands gezicht. Er kwamen meer jazzbands of wat daar voor door mocht gaan. Zo maakte op 3 september 1921 de Jazzband o.l.v. Jules Dreese zijn opwachting in het Kurhaus tijdens het door Maddy en Willy Encla geleide Groot Bal. Waarschijnlijk werd een strijkje bedoelt dat af en toe op jazz lijkende klanken voortbracht.

In het intieme theater Mascotte in de Wagenstraat (68) presenteerde kapelmeester W.J. Wisse in oktober 1921 het programma Jazzing de jazz met zijn succes-ensemble Mascotte. Wat de inhoud en vorm was van dit programma of van het ensemble vermeldt de historie niet, maar dat het weinig met Jazz te maken had zoals wij die nu kennen kan gevoeglijk worden aangenomen. De samenstelling en grootte van de jazzbands in die beginjaren geven daar alle aanleiding toe. (wordt vervolgd)

Oude jazz coryfeeën, kennen we ze nog….

Door Herbert Noord, Hammond organist

Zit ik in de auto naar het radio 1 journaal te luisteren ’s avonds na half zeven, zetten ze plotseling een stukje muziek op. Zonder waarschuwing vooraf. Meedogenloos, want vals, vals niet te geloven zo vals. Je ontkomt praktisch nergens meer aan de muzikale ellende, ook hier dus niet.
Ik drukte meteen de beste voorziening van de autoradio in, de mute-knop. Na drie minuten dacht ik dat de ellende wel voorbij zou zijn maar ik pikte nog net het staartje mee. De heer Govert van Brakel
kondigt deze muzikale treurnis af met de woorden:
“Het klinkt een beetje als Billie Holiday, deze Judie Holland,,,,” (Govert kan af geserveerd worden als zijnde toon doof)
Te erg voor woorden was deze zeurzangeres in optima forma.
Arme Billie.
Vriend van mij vertelde, dat hij laatst in een restaurant zat te eten waar op de achtergrond Billie Holiday te beluisteren viel, dacht hij. Toen hij eventjes beter luisterde, wist hij meteen dat het Billie Holiday niet kon zijn vanwege de timing of beter het gebrek daaraan. Hij vroeg wie deze imitatrice
Wel mocht zijn. Het bleek ene Madeleine Peyroux. Heeft ongetwijfeld ontelbare CD’s verkocht met deze volksverlakkerij.
Raakte over dit soort zaken in een discussie verzeild met een andere vriend, die denkt dat luisteraars naar de imitators toch op een gegeven moment op zoek gaan naar het origineel. Dus je hoort Joey DeFrancesco en dan ga je op een goed moment op zoek naar Jimmy Smith.
Of je denkt, wie was dat nou, die Billie Holiday, die mijn toppertje Madeleine geïnspireerd schijnt te hebben.
Geloof ik in dat laatste? Nou, nee en wel om een aantal redenen.
De voornaamste: mensen zijn lui. Zij gaan zich niet inspannen om iets te achterhalen waar ze niet wezenlijk in geïnteresseerd zijn (Dan hadden ze de CD’s al in huis).
Een andere reden vormt de verkrijgbaarheid. Niet alle muziek van de vergeten grootheden is op CD verkrijgbaar (Internet biedt tegenwoordig uitkomst) In ieder geval hebben platenmaatschappijen er weinig belang bij oud materiaal opnieuw uit te brengen.
Laatst zag ik een oude NTS opname van de zangeres Sarah Vaughan. Het betrof een door Willem O Duys aangekondigd ‘spontaan’ optreden tijdens het Grand Gala du Disque uit 1963. Duys vroeg aan het in het publiek zittende Sarah: “Wilt u iets voor ons zingen?” Haar antwoord luidde bevestigend
En op de vraag wie haar dan moest begeleiden zei ze: “Douglas Duke, he is present too.”
Douglas Duke was een in die tijd in Nederland verblijvende Hammond virtuoos,
Als je Sarah even wat standerds hoort vertolken weet je meteen dat de hedendaagse zangeressen het wel kunnen schudden, vaak bij gebrek aan timing, muzikaliteit, stemvolume, toon en improvisatie vermogen, enkele echte jazzzangeressen uitgezonderd. Maar ga eens op de Albert Cuyp in Amsterdam of in de Spuistraat in Den Haag staan met een microfoon en vraag passanten wie Sarah Vaughan was en wie Madeleine Peyroux is en als je al antwoord krijgt zal dat zeker ten faveure van laatstgenoemde zijn. Sarah’s naam zal bij de meesten geen bel doen rinkelen ben ik bang,

Tant pis, het is niet anders,
Herbert

Schrijvers en jazz

door Bert Jansma

Veel auteurs die over jazz schrijven, hebben we niet. Maar tijdens een Boekenweek waarin het thema Literatuur en muziek is, wou ik toch even stilstaan bij de weinigen díe er zijn.Begin dit jaar kwam er een boek uit van Martin Schouten, ‘Zelfportret als neger’. Ik heb ’t nog niet aangeschaft, maar zal dat zeker doen. Niet dat ’t alleen over jazz gaat, het gaat – begrijp ik – ook nog over de intelligentie van blanken, zwarten en Aziaten. Wat ik daar dan mee moet, weet ik op voorhand niet zo een-twee-drie.Maar Schouten weet altijd op een prikkelende manier fictie, journalistieke belevenissen en jazzverhalen samen te binden. Zoals in ‘Billie en de president’, waarin voortreffelijke hoofdstukken over Thelonious Monk en over de twee figuren uit de titel, Billie Holiday en Lester Young, bijgenaamd Prez.

Ik herinner me er ook een hoofdstuk uit over Bix Beiderbecke, dat van het historische verhaal van de trompetlegende overspringt naar het Haagse jazzleven van de jaren vijftig. Rond een groep muzikanten die vooral ‘oud blank’ wilden spelen.Een groep met o.a. Serein Pfeiffer en de latere schrijver Frits Hotz, die Bix Beiderbecke zo aanbaden dat er op een kamer van eerstgenoemde aan de Haagse Madurastraat in een kastje naast de schuifdeuren zelfs een altaartje voor Bix was ingericht waar constant een kaarsje brandde. Het Bixorium heette dat.In dat nieuwe boek van Martin Schouten komt in elk geval een inmiddels oud geworden, vroeger Amsterdams vriendinnetje van saxofonist Coleman Hawkins ten tonele. Want Hawkins woonde en speelde lang geleden een tijdje in Amsterdam waar hij ook opnames maakte met The Ramblers.En Ben Webster komt er in voor.En dat is al heel wat.Al eerder heb ik voor deze microfoon het boek ‘Vreemd’ vermeldt, van tenorsaxofonist en schrijver Bob Rigter. Dat is fictie. Maar er zitten passages in die zo uit het rijke muzikantenleven komen.Een bandleider die een avondje heeft georganiseerd om een subsidiegever ervan te overtuigen dat hij echt steun verdient.Maar die daarvoor wel de beste freelancers – stukken beter dan hijzelve – heeft ingehuurd voor de kwaliteit. Nou, die maken er een potje van. De hoofdfiguur van Rigters boek, Monster genaamd en daardoor opgezadeld met de bijnaam Koekie – Koekie Monster u begrijpt ‘t – bestelt op die heuglijke avond een pizza. Want zorgen voor behoorlijk eten tijdens een schnabbel, forget it. Hij vraagt de pizza bezorger uitdrukkelijk of hij met die pizza tijdens het concert het toneel wil opkomen. Om aldus de organisator er op te wijzen dat muzikanten ook mensen zijn met magen. In de kleedkamer zit Monsters vaste saxofonist, de wat wereldvreemde Lo. Hij mag niet meedoen, want de organisator van het subsidie-avondje is zelf saxofonist. En van minder allooi. Dus met die waanzinnige vluchten die Lo op zijn sax pleegt uit te voeren wil hij al helemaal niet geconfronteerd worden.Maar Lo begint van pure speelvreudge vanuit de kleedkamer toch maar zeer hoorbaar mee te blazen, hetgeen leidt tot een klein pandemonium en het volkomen uit de hand lopen van dat subsidie-opzetje.Mooie momenten in een boek dat overigens gaat over liefde, over de losse eindjes die er uit mensenlevens plegen te hangen en die zo moeilijk aan elkaar te knopen zijn.

Inmiddels is er nog een boekje uit dat bijna alles met jazz heeft. Van J.Bernlef. Bernlef heeft al een aantal boeken over jazz op zijn naam. ‘Schiet niet op de pianist’ bijvoorbeeld en het polemisch-essayistische ‘Haalt de jazz de eenentwintigste eeuw?’ Zijn nieuwste heet ‘Hoe van de trap te vallen’, een bundel jazzverhalen met achterin een cd-tje waarop Bernlef een lang gedicht uit dat boekje uitspreekt, met muziek van pianist Guus Janssen – geen jazz dus. Bernlef is een knap schrijver en hij heeft altijd – en ook in deze elf verhalen en verhaaltjes – een originele invalshoek. Ze zijn deels fictie, deels persoonlijke herinnering. Wat dat laatste betreft is er een verhaal over een bezoek van Bernlef aan Kopenhagen en Götheburg waar hij jazzclubs binnengaat die van een bijna niet te schetsen triestigheid zijn. Eén man zit er al klaar aan een tafeltje, de vaste gast. Hij zit er al jaren en met alles dat hem wordt voorgespeeld en geblazen knikt en stampt hij troosteloos-enthousiast mee. Bernlef verlaat het pand met het gevoel dat hij naar vuiligheid heeft geluisterd. “Net porno”, schrijft hij, “het tonen van vals bloot, het opblazen van wat ooit, eens, in een ver verleden, echte emoties waren geweest, nu vervallen tot plichtmatige herhaling.”

Triest verhaal, al kan je je er iets bij voorstellen. Aansluitend het verhaal Jazzclub, over een groepje mannen dat ooit samen muziek maakte. Voor de tweede wereldoorlog nog de Swing Babies, na de oorlog de Bebop Boys. Ze komen nog altijd bijeen om plaatjes te luisteren. Vijftig jaar inmiddels al. De een loopt met een stok, de ander slikt pillen voor z’n hart, en weer een ander haalt voortdurend namen van bands en musici door elkaar. En ze zijn in de loop der jaren steeds dover geworden. Bij hun jubileumfeestje zet de leider van het stel, die niet doof is en ook nog eens twijfelt aan de eeuwigheidswaarde van jazz, platen op. Maar ditmaal geen jazz. Hij draait Schönbergs Verklärte Nacht. Maar de heren horen het niet. De een roept zoals altijd: Moet je die bariton horen! Want hij speelde zelf ooit baritonsax. De ander roemt de akkoorden van de pianist, die hij te zacht vindt opgenomen. Een derde zegt dat-ie deze opname van Charlie Parker met strings niet tot de absolute top rekent. De gastheer heeft al die platen van de Weense school van Schönberg en consorten in oude jazzhoezen gedaan. En die hoezen gaan onder bewonderend gemompel van hand tot hand. “Ik hoef eigenlijk geen platen meer te draaien”, zegt een van het stel. “Alles zit in mijn hoofd”. En ze vertrekken, met stok, en doof.

Het is waar, besluit Bernlef, die oude koppen zaten boordevol muziek: “Ze hoefden in het vervolg alleen nog maar bijeen te komen om elkaar begrijpend en in volstrekte eensgezindheid verzaligd toe te knikken”.

Mooi verhaal. Triest en eigenlijk ook wel vertederend.

Maar alstublieft lieve mensen, ik ben de zestig gepasseerd, slik ook m’n pilletjes, en heb ontzettend veel jazz in m’n hoofd verzameld in de loop der jaren.Echt, ik hoop met nadruk dat mij op dit ondermaanse nog véél nieuwe jazz-avonturen te wachten staan.